Waarom ik bouw zoals ik bouw.
Mijn eerste project was een migratie naar een nieuw dataplatform. Daar leerde ik al snel wat vendor lock-in in de praktijk betekent: je basisinfrastructuur raakt verweven met één grote leverancier. Door de inzet van leverancierspecifieke tools kun je niet zomaar je spullen pakken en vertrekken. Het hele systeem moet eerst ontrafeld worden en stukje voor stukje worden overgezet. Dataplatformmigraties zijn daardoor pijnlijk, duren jaren en pakken duur uit.
Dat iets op papier aan alle eisen voldoet en goed onderbouwd is, betekent nog niet dat het werkt voor de mensen die ermee moeten bouwen. Bij de keuze voor een platform spelen andere belangen mee, die lang niet altijd stroken met hoe gebruikers, ontwikkelaars en zelfs de architecten er in de praktijk mee omgaan.
Gelukkig is er een alternatief. In een paar jaar tijd is het aanbod aan open source data tools enorm gegroeid, en steeds meer van die tools worden door gevestigde partijen omarmd als standaard. De ontwikkelingen volgen elkaar geleidelijk op, maar de richting is duidelijk: open standaarden, werkbaar en inwisselbaar.
De weg loopt van bedrijfsspecifieke software naar modules die je toevoegt of verwijdert zodra de behoefte van het bedrijf verandert. De voordelen liggen voor de hand. Ontwikkelaars convergeren naar dezelfde open tools, waardoor geschikte expertise makkelijker te vinden is. En omdat de software open source is, blijft ze jarenlang stabiel en onderhouden, onafhankelijk van één leverancier.
Ik trek deze ontwikkeling door tot zijn logische conclusie. De bouwstenen van een data-infrastructuur moeten eenvoudig in gebruik zijn en makkelijk te vervangen. Elk onderdeel van het platform moet binnen een dag gemigreerd kunnen worden. Zo zorg ik ervoor dat wat ik ontwikkel toekomstbestendig blijft en makkelijk overdraagbaar is. Het platform is dan geen risico meer, maar een fundament waar je op verder bouwt.